Dwangmatige gedachten over eenzaamheid van de mens

Als kind voelde ik me vaak eenzaam. Ik had vrienden, familie en een leuke basisschool. Ondanks dat alles drong zich steeds de gedachte aan mij op dat mensen zo pijnlijk eenzaam zijn. Ik vroeg mij steeds af hoe de ander een kleur rood zou zien en vond het vreselijk vervelend dat ik nooit zou weten hoe een ander de kleur rood beleeft. We zouden het nooit echt over dezelfde kleur kunnen hebben. En wat is eigenlijk het ware rood? Pas als je echt even een ander kunt zijn, dacht ik, kun je ervaren hoe de ander iets ziet. Maar dat kan niet. En zit er niet een beetje tijd, vroeg ik mij af, tussen een aankijken en registreren van de blik, of tussen praten en luisteren? Dat iedereen opgesloten zit in zijn eigen perceptie en dat de absolute waarheid dan voor ieder van ons verborgen zou blijven vond ik niet alleen vervelend. Het maakte dat ik me vaak eenzaam en soms erg verdrietig voelde. Ik voelde me niet alleen eenzaam op momenten dat ik zat na te denken over het bestaan. Nee, de gedachten drongen zich aan mij op op willekeurige momenten. Daardoor werd ik mij soms pijnlijk bewust van mijzelf – of was het andersom? – en voelde het alsof ik omringd door een glazen omhulsel naar de wereld keek.

Ik heb mij nog vaak afgevraagd wat de waarheid in de dingen is en hoe wij die met elkaar zouden kunnen delen.

Uiteindelijk ben ik de mystiek van het ongrijpbare wat gaan waarderen, kreeg ik oog voor verwoorden, verbeelden en muzikaal vertolken van datgene waar de realiteit tekortschiet. Het went. Maar het wordt nooit meer goed, heel, perfect en absoluut waar. Niet voor mij, niet voor iedereen en niet voor ons allemaal samen op hetzelfde ogenblik.

Meer ervaringsverhalen

Reacties

Geef een reactie